Verdubbeling bijtelling schendt eigendomsrecht

Een werknemer die in april 2019 een elektrische auto bestelde, krijgt gelijk van de rechtbank Noord-Nederland. De verhoging van de bijtelling van 4% naar 8% per 2020 is in zijn geval in strijd met het eigendomsrecht. Deze uitspraak kan ook gunstig zijn voor anderen die in dezelfde situatie zaten.

Van stimulering naar afbouw

De oorspronkelijke Wet uitwerking Autobrief II gaf tot 2021 een bijtelling van 4% voor elektrische auto’s, om milieuvriendelijke mobiliteit te stimuleren. Het beleid werkte zó goed dat in 2018 bijna twee keer zoveel elektrische auto’s werden verkocht als verwacht.

Het kabinet vond de regeling te kostbaar en besloot in het Klimaatakkoord van juni 2019 de bijtelling al in 2020 te verhogen naar 8% – een jaar eerder dan gepland.

De situatie van de werknemer

De werknemer had zijn auto al in april 2019 besteld. Annuleren zou hem duizenden euro’s kosten. Toen het nieuws over de verhoging in juni 2019 kwam, zat hij vast aan zijn contract. Hij vond dat zijn gerechtvaardigde verwachtingen waren geschaad en beriep zich op het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsrecht).

De Belastingdienst stelde dat alleen de datum van eerste toelating van de auto bepaalt welk bijtellingspercentage geldt, en dat de overheid veel vrijheid heeft bij het aanpassen van fiscale regels.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaf de werknemer gelijk: voor iedereen die vóór 28 juni 2019 onomkeerbare financiële verplichtingen is aangegaan, is de verhoging onrechtmatig. De overheid wist – of had moeten weten – dat veel mensen door de lange levertijden al vastzaten aan bestellingen. Er was volgens de rechtbank geen ‘fair balance’ tussen het beleidsdoel en de individuele gevolgen.

Wat betekent dit voor jou?

Heb je vóór juni 2019 een elektrische auto besteld die in 2020 werd geleverd, en zat je toen al vast aan een koop- of leasecontract? Dan kan het zijn dat voor jou nog het oude tarief van 4% geldt in plaats van 8%. Dat kan een flinke besparing opleveren.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2025:2815 | 09-07-2025