Sinds de uitspraken van de Hoge Raad over box 3 kunnen belastingplichtigen onder voorwaarden een beroep doen op hun werkelijke rendement wanneer dit lager is dan het forfaitaire rendement. Maar hoe wordt dat werkelijke rendement precies bepaald? En speelt het heffingsvrije vermogen daarbij nog een rol?
Een recente uitspraak maakt duidelijk dat het heffingsvrije vermogen niet in mindering komt bij de berekening van het werkelijke rendement.
Spaargeld en ontvangen rente
In deze zaak beschikken een man en vrouw in 2023 uitsluitend over bank- en spaartegoeden. De totale waarde daarvan bedraagt € 229.802. Gedurende het jaar ontvangen zij hierover € 1.575 aan rente.
Op basis van de forfaitaire box 3-regels stelt de Belastingdienst het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen vast op € 1.065.
De man is het daar niet mee eens. Hij beroept zich op de rechtspraak van de Hoge Raad over box 3 en stelt dat bij het bepalen van het werkelijke rendement rekening moet worden gehouden met het heffingsvrije vermogen.
Volgens zijn berekening zou daardoor niet de volledige rente van € 1.575 meetellen. Hij komt uit op een belastbaar inkomen van € 793.
Hoe werkt het werkelijk rendement?
De gedachte achter de tegenbewijsregeling in box 3 is dat een belastingplichtige niet méér belasting zou moeten betalen dan past bij het rendement dat daadwerkelijk over zijn vermogen is behaald.
Daarbij worden in feite twee berekeningen naast elkaar gezet:
- het box 3-inkomen volgens de wettelijke forfaitaire berekening; en
- het werkelijke rendement over het volledige box 3-vermogen.
Is het werkelijke rendement lager? Dan kan het lagere werkelijke rendement onder voorwaarden als uitgangspunt voor de belastingheffing worden gebruikt.
Belangrijk is dat het begrip werkelijk rendement ruimer is dan alleen ontvangen rente. Afhankelijk van het vermogen kunnen bijvoorbeeld ook dividend, huurinkomsten en positieve én negatieve waardeveranderingen meetellen. Ook niet-gerealiseerde waardeveranderingen kunnen onderdeel zijn van het werkelijke rendement.
Het gaat daarbij in beginsel om het rendement op het gehele box 3-vermogen gedurende het kalenderjaar.
Geen heffingsvrij vermogen bij berekening werkelijk rendement
Juist op dat laatste punt ging het in deze zaak mis voor de belastingplichtige.
Het heffingsvrije vermogen is onderdeel van de wettelijke systematiek waarmee het forfaitaire box 3-inkomen wordt berekend. Het betekent echter niet dat voor het bepalen van het werkelijke rendement een evenredig gedeelte van de werkelijk ontvangen rente buiten beschouwing mag blijven.
De rechtbank verwijst hierbij naar de rechtspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Voor het werkelijke rendement moet worden gekeken naar het rendement dat daadwerkelijk op het volledige vermogen is behaald.
In deze situatie is dat eenvoudig vast te stellen. Het vermogen bestaat uitsluitend uit bank- en spaartegoeden en daarop is € 1.575 rente ontvangen. Het werkelijke rendement bedraagt daarom € 1.575.
Het heffingsvrije vermogen verlaagt dit bedrag niet.
Forfait is in dit geval juist voordeliger
Dat levert een opvallende uitkomst op. Het forfaitair berekende box 3-inkomen bedraagt € 1.065, terwijl het werkelijke rendement € 1.575 bedraagt.
De forfaitaire berekening is voor deze belastingplichtigen dus juist gunstiger.
Een beroep op het werkelijke rendement heeft alleen zin wanneer dit leidt tot een lagere box 3-heffing. De tegenbewijsregeling kan niet worden gebruikt om een hoger werkelijk rendement in de plaats te stellen van een voor de belastingplichtige gunstiger forfaitair rendement.
Werkelijk rendement is niet hetzelfde als ‘wat je hebt ontvangen’
De uitspraak illustreert ook waarom het belangrijk is om bij box 3 niet alleen naar ontvangen inkomsten te kijken. Bij spaargeld is het werkelijke rendement meestal relatief eenvoudig vast te stellen: de ontvangen rente vormt doorgaans het belangrijkste bestanddeel.
Bij beleggingen en vastgoed wordt de berekening een stuk ingewikkelder. Daar kunnen naast directe inkomsten ook waardestijgingen en waardedalingen een rol spelen. Hierdoor kan het werkelijke rendement fiscaal aanzienlijk afwijken van het bedrag dat daadwerkelijk op de bankrekening is ontvangen.
Wie gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling doet er daarom goed aan eerst het werkelijke rendement over het volledige box 3-vermogen zorgvuldig te berekenen en dit vervolgens te vergelijken met de forfaitaire box 3-heffing..
