Wanneer een BV een auto aan haar directeur-grootaandeelhouder (DGA) verkoopt voor een abnormaal lage prijs, kan dat volgens een recente conclusie van de Advocaat-Generaal (A-G) van de Hoge Raad misbruik van recht zijn voor de btw-heffing. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop btw moet worden berekend en afgedragen.
Wat speelde er?
In een zaak voor de Hoge Raad verkocht een BV een zakelijke auto aan haar aandeelhouder tegen een prijs die ver onder de marktwaarde lag. Voor het verschil tussen de werkelijke waarde en de lage verkoopprijs werd door de BV en de DGA rekening gehouden met een verkapt dividend voor vennootschapsbelasting en dividendbelasting. De Belastingdienst legde echter een btw-naheffingsaanslag op, omdat naar zijn oordeel de btw over de werkelijke waarde moest worden berekend.
De BV voerde daarop bezwaar en beroep aan, waarbij de vraag centraal stond of de lage verkoopprijs wel als vergoeding onder bezwarende titel kon worden beschouwd voor de btw-heffing, of dat sprake was van misbruik van recht waardoor de maatstaf van heffing moet worden gesteld op de marktwaarde van de auto.
Wat betekenen deze btw-begrippen?
Vergoeding onder bezwarende titel
Voor de btw wordt alleen geheven als je iets levert tegen een echte vergoeding. Dat betekent dat er een direct verband moet zijn tussen wat je levert (bijvoorbeeld een auto) en wat je daarvoor ontvangt. Is de verkoopprijs zo laag dat deze niet meer zakelijk of economisch te verklaren is, dan kan de Belastingdienst vinden dat er feitelijk geen echte vergoeding is afgesproken.
Maatstaf van heffing
De maatstaf van heffing is het bedrag waarover je btw moet berekenen. Normaal gesproken is dat gewoon de afgesproken verkoopprijs. Maar als sprake is van misbruik van recht — bijvoorbeeld doordat een auto voor een onrealistisch lage prijs aan een aandeelhouder wordt verkocht — mag de Belastingdienst uitgaan van de werkelijke marktwaarde van de auto in plaats van de lage verkoopprijs.
Conclusie van de Advocaat-Generaal
De A-G concludeert dat:
- Het hanteren van een abnormaal lage verkoopprijs kan misbruik van recht opleveren als de prijs niet economisch verklaarbaar is en primair is gericht op een btw-voordeel.
- Het is daarbij niet noodzakelijk dat er een samenstel van transacties is; ook één enkele transactie met een onnatuurlijk lage vergoeding kan al misbruik van recht zijn.
- In zo’n geval kan worden uitgegaan van de getaxeerde waarde van de auto als btw-maatstaf, en niet de lage verkoopprijs.
- De Hoge Raad wordt geadviseerd het cassatieberoep van de BV ongegrond te verklaren.
Kort gezegd: als een transactie vooral is gericht op het beperken van de btw-druk door een lage vergoeding tussen gelieerde partijen te hanteren, dan kan de Belastingdienst dit aanmerken als misbruik van recht en de btw-grondslag corrigeren.
Waarom is dit relevant voor jou?
Als je een zakelijke auto vanuit je BV aan jezelf of een andere aandeelhouder wilt verkopen tegen een prijs die aanzienlijk lager ligt dan de marktwaarde, dan is het belangrijk om je bewust te zijn van de btw-risico’s:
- De Belastingdienst kan in zo’n situatie de btw-grondslag corrigeren naar de werkelijke waarde van de auto en een naheffingsaanslag opleggen.
- Een lage verkoopprijs puur gericht op btw-besparing kan worden gezien als misbruik van recht.
- Dit kan extra kosten met zich meebrengen in de vorm van btw-betaling en rente of boetes.
Daarom is het raadzaam om bij dit soort transacties altijd vooraf goed te documenteren waarom de prijs wordt gehanteerd, bijvoorbeeld met een taxatierapport en zakelijke motivering. Ook kan het verstandig zijn om hierover vooraf met je accountant of belastingadviseur te overleggen.
