Bedrijf met kleine winsten blijft een onderneming

Een onderneming hoeft niet groot te zijn om fiscaal als onderneming te worden aangemerkt. Ook een bedrijf met beperkte omzet en bescheiden winsten kan voldoen aan de voorwaarden voor ondernemerschap. Toch kan hierover discussie ontstaan met de Belastingdienst, vooral wanneer de resultaten jarenlang tegenvallen.

In een recente rechtszaak stond de vraag centraal of een kleinschalig akkerbouwbedrijf nog wel een bron van inkomen vormde. De Belastingdienst vond van niet en wilde het vermogen onderbrengen in box 3. Het gerechtshof oordeelde anders.

Wanneer is sprake van een bron van inkomen?

Om inkomsten fiscaal als winst uit onderneming te kunnen behandelen, moet allereerst sprake zijn van een bron van inkomen. Daarvoor gelden drie voorwaarden:

– Er wordt deelgenomen aan het economische verkeer.
– Er is sprake van het streven naar financieel voordeel.
– Het voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn.

Vooral die laatste voorwaarde, de objectieve voordeelsverwachting, kan in de praktijk tot discussie leiden.

Een onderneming hoeft namelijk niet ieder jaar winst te maken. Ook is er geen wettelijk vastgesteld minimum voor de omzet, de omvang van de onderneming of het rendement. Het gaat erom of op basis van de feiten en omstandigheden redelijkerwijs een positief resultaat kan worden verwacht.

De praktijk: een kleinschalig akkerbouwbedrijf

In de betreffende zaak hadden drie kinderen in 2009 het agrarische bedrijf van hun overleden vader voortgezet. Daarbij veranderden zij de bedrijfsactiviteiten van veeteelt naar akkerbouw.

Vanaf 2019 bestonden de inkomsten onder andere uit de verpachting van ruim twee hectare landbouwgrond, met een jaarlijkse opbrengst van ongeveer € 3.335. Daarnaast ontving de vof vergoedingen voor de verkoop van gras en kunstmest.

De resultaten waren bescheiden. Na een verlies in 2020 behaalde de onderneming in de daaropvolgende jaren winsten van € 924, € 1.511 en € 718.

Volgens de Belastingdienst waren deze activiteiten te beperkt om nog van een fiscale onderneming te kunnen spreken.

De Belastingdienst kijkt naar veertien jaar resultaten

De betrokken vennoot gaf zijn aandeel in de vof al sinds 2003 aan als winst uit onderneming. De Belastingdienst had deze behandeling jarenlang geaccepteerd, maar stelde later dat niet langer sprake was van een bron van inkomen.

Om dit te onderbouwen, telde de inspecteur de gecorrigeerde resultaten over een periode van veertien jaar bij elkaar op. Per saldo kwam daar een negatief resultaat uit.

Daarbij liet de inspecteur de pachtinkomsten buiten beschouwing, omdat deze volgens hem geen onderdeel vormden van de feitelijke agrarische activiteiten.

De conclusie van de inspecteur was dat een objectieve winstverwachting ontbrak. Het aandeel van de vennoot zou daarom niet langer in box 1, maar in box 3 moeten worden belast.

Het gerechtshof: bescheiden winst is ook winst

Het gerechtshof ging niet mee in de redenering van de Belastingdienst. Volgens het hof moet de aanwezigheid van een bron van inkomen in beginsel per belastingjaar worden beoordeeld. Het optellen van resultaten over een willekeurige periode van veertien jaar geeft daarvoor geen doorslaggevend antwoord.

Bovendien waren in die periode negen jaren met winst en vijf jaren met verlies. Dat de totale uitkomst negatief was, betekende dus niet automatisch dat een objectieve voordeelsverwachting ontbrak.

Ook de beperkte omvang van de activiteiten was volgens het hof onvoldoende om het ondernemingskarakter ter discussie te stellen. Agrarische ondernemingen hebben nu eenmaal te maken met wisselende opbrengsten en resultaten.

Daarnaast moesten de vergoedingen voor gras en kunstmest worden meegenomen bij de beoordeling van de activiteiten.

Het hof oordeelde daarom dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de onderneming geen bron van inkomen meer vormde. De fiscale behandeling als onderneming bleef in stand.

Wat betekent deze uitspraak voor ondernemers?

Deze uitspraak bevestigt dat een kleine omzet of beperkte winst niet automatisch betekent dat een onderneming fiscaal ophoudt te bestaan. Voor de beoordeling zijn de feitelijke omstandigheden belangrijker dan alleen de omvang van de onderneming. Daarbij kan onder andere worden gekeken naar de aard van de activiteiten, de ontwikkeling van de resultaten en de mogelijkheden om in de toekomst

Onze artikelen zijn puur informatief. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Heb je vragen over jouw situatie? Neem dan altijd contact op voor een advies op maat.