Veel stichtingen gaan ervan uit dat zij geen btw hoeven af te dragen, omdat zij geen winst nastreven of een maatschappelijk doel dienen. Toch is dat lang niet altijd het geval. Voor de btw is niet de rechtsvorm of het maatschappelijke belang doorslaggevend, maar de vraag of sprake is van een ondernemer die tegen een vergoeding prestaties verricht.
Een recente uitspraak van de Hoge Raad bevestigt nogmaals dat ook een stichting onder omstandigheden gewoon btw-ondernemer kan zijn.
Wanneer is een stichting ondernemer voor de btw?
Een stichting is voor de btw ondernemer wanneer zij:
- zelfstandig een organisatie voert;
- tegen een vergoeding goederen levert of diensten verricht; en
- daarmee deelneemt aan het economische verkeer.
Dat een stichting geen winstoogmerk heeft of uitsluitend activiteiten verricht in het algemeen maatschappelijk belang, betekent dus niet automatisch dat zij buiten de heffing van omzetbelasting blijft. Ook kostendekkende vergoedingen kunnen een belaste vergoeding vormen.
Ondersteuning van de tuchtcolleges
De zaak draaide om een stichting die de tuchtcolleges voor de advocatuur ondersteunt. Zij zorgt onder meer voor de griffiers, administratieve ondersteuning, huisvesting, websites en communicatie rondom de tuchtrechtspraak.
Sinds 2018 worden deze kosten niet langer door de overheid gedragen, maar ontvangt de stichting jaarlijks een kostendekkende bijdrage van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA). Aan de tuchtcolleges zelf brengt de stichting geen vergoeding in rekening.
Volgens de stichting was zij geen btw-ondernemer. Zij stelde dat zij niet zelfstandig opereerde, niet deelnam aan het economische verkeer en uitsluitend werkzaamheden verrichtte in het algemeen belang van een goed functionerende rechtsstaat.
Hoge Raad: wel degelijk btw-ondernemer
De Hoge Raad volgt deze redenering niet. Volgens de hoogste rechter handelt de stichting zelfstandig. Zij sluit zelf overeenkomsten met leveranciers, neemt personeel in dienst en draagt de organisatorische verantwoordelijkheid voor haar werkzaamheden. Dat de tuchtcolleges inhoudelijk invloed hebben op bepaalde werkzaamheden, maakt de stichting nog niet afhankelijk in de zin van de btw.
Ook neemt de stichting deel aan het economische verkeer. De diensten die zij verricht – zoals administratie, personeelsvoorziening en organisatorische ondersteuning – kunnen in beginsel ook door andere organisaties worden geleverd. Dat zij haar diensten feitelijk slechts aan één afnemer verleent, verandert daar niets aan.
Ten slotte bestaat volgens de Hoge Raad een rechtstreeks verband tussen de verrichte diensten en de jaarlijkse bijdrage van de NOvA. Die bijdrage vormt de vergoeding voor de werkzaamheden van de stichting. Daarmee is sprake van een met btw belaste prestatie.
Belang voor andere stichtingen en verenigingen
Deze uitspraak is ook relevant voor veel andere stichtingen en verenigingen. In de praktijk bestaat regelmatig de gedachte dat een maatschappelijke doelstelling of het ontbreken van een winstoogmerk automatisch betekent dat geen btw verschuldigd is. Dat is een misverstand.
Ook wanneer een organisatie uitsluitend kostendekkend werkt of slechts één opdrachtgever heeft, kan sprake zijn van ondernemerschap voor de btw. Alleen wanneer een specifieke btw-vrijstelling van toepassing is of geen sprake is van een vergoeding voor een prestatie, kan de btw-heffing achterwege blijven.
Het is daarom verstandig om regelmatig te beoordelen of de activiteiten en de ontvangen vergoedingen nog aansluiten bij de btw-positie van de organisatie. Een onjuiste kwalificatie kan leiden tot naheffingen, maar soms juist ook tot gemiste mogelijkheden om btw terug te vragen.
