De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel dat een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst invoert voor zzp’ers met een laag uurtarief. Met deze maatregel wil de wetgever kwetsbare zelfstandigen beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid. De wet treedt niet direct in werking; de ingangsdatum wordt op een later moment vastgesteld.
Rechtsvermoeden bij laag uurtarief
Het rechtsvermoeden geldt voor zelfstandigen die minder dan € 38 per uur verdienen (bedrag per 1 januari 2026). Deze groep kan zich eenvoudiger beroepen op een arbeidsovereenkomst wanneer de feitelijke arbeidsrelatie daar aanleiding toe geeft. Daarmee wordt de drempel verlaagd om een beroep te doen op de bescherming die werknemers genieten.
Bestaande regels blijven gelden
De nieuwe regeling vervangt de bestaande wet- en regelgeving over schijnzelfstandigheid niet. De beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst blijft plaatsvinden aan de hand van de geldende wettelijke criteria en de jurisprudentie. Het rechtsvermoeden maakt het voor laagbetaalde zzp’ers alleen eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer in te roepen.
Bewijslast verschuift naar opdrachtgever
Doet een zzp’er een beroep op het rechtsvermoeden, dan is het aan de opdrachtgever om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan wordt de arbeidsrelatie aangemerkt als een dienstverband.
Dat kan verstrekkende gevolgen hebben. De zzp’er krijgt in dat geval recht op de arbeidsrechtelijke bescherming die voor werknemers geldt, zoals loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en andere arbeidsvoorwaarden die bij een arbeidsovereenkomst horen.
