Wie een onderneming inbrengt in een bv, moet goed nadenken over de waardering van die onderneming. Zeker als kort daarvoor nog een concreet overnamebod op tafel heeft gelegen. Een recente uitspraak van de rechtbank laat zien dat zo’n bod niet zomaar terzijde kan worden geschoven. Bij de fiscale waardering draait het namelijk niet om wat jij als ondernemer graag wilt, maar om wat de onderneming objectief waard is in het economisch verkeer.
Wat speelde er in deze zaak?
In deze zaak ging het om een dierenarts die samen met zijn ouders een dierenartspraktijk dreef. Begin 2020 meldde zich een grote internationale investeerder met interesse in overname van de praktijk. Na het bekijken van de cijfers bracht deze partij in augustus 2020 een bod uit van 3,3 miljoen euro, met daarbovenop nog een bonus als de praktijk verder zou groeien.
De familie tekende een intentieverklaring, maar besloot uiteindelijk toch niet door te gaan. Tijdens het boekenonderzoek in het kader van de overname haakten zij af. Zij wilden de praktijk liever in eigen hand houden.
De praktijk wordt ingebracht in een bv
Enkele maanden later, in december 2020, werd de praktijk alsnog in een andere vorm voortgezet. De familie bracht de onderneming onder in bv’s. Daarbij kozen zij voor een zogeheten ruisende inbreng. Dat betekent dat fiscaal wordt afgerekend over de meerwaarde van de onderneming op het moment van inbreng. Daar staat tegenover dat de activa en goodwill in de bv op een hogere waarde op de balans kunnen worden gezet.
Juist daarom is de waardering op het moment van inbreng zo belangrijk. Hoe lager de waarde wordt vastgesteld, hoe minder belasting direct hoeft te worden betaald. Maar die waardering moet wel realistisch en verdedigbaar zijn.
Hoe werd de goodwill berekend?
De dierenarts waardeerde zijn aandeel in de praktijk met behulp van de zogeheten multiple-methode, een methode die in sommige branches vaker wordt gebruikt. Daarbij wordt gekeken naar een veronderstelde jaarwinst, die vervolgens wordt vermenigvuldigd met een bepaalde factor. Op basis daarvan kwam de goodwill van de praktijk uit op 400.000 euro.
Dat verschil was opvallend groot. Nog maar een paar maanden eerder had immers een serieuze investeerder 3,3 miljoen euro geboden voor de praktijk, exclusief een mogelijke bonus bij verdere groei.
Een jaar later volgt alsnog verkoop
De zaak werd nog opmerkelijker doordat de familie in de zomer van 2021 opnieuw in gesprek ging met dezelfde investeerder. Dit keer kwam er een bod van 5,3 miljoen euro. Uiteindelijk werd de praktijk verkocht voor 4,7 miljoen euro, plus groeibonussen.
Voor de Belastingdienst was dat aanleiding om kritisch naar de eerdere inbreng te kijken. Hoe kon de praktijk eind 2020 volgens de aangifte slechts 400.000 euro aan goodwill bevatten, terwijl er kort daarvoor al een miljoenenbod was gedaan en de praktijk een jaar later ook daadwerkelijk voor een veel hoger bedrag werd verkocht?
Waarom keek de Belastingdienst hier zo scherp naar?
Bij een ruisende inbreng moet worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Dat is in feite de prijs die een onafhankelijke koper op dat moment voor de onderneming zou willen betalen. De Belastingdienst vond daarom dat de lage waardering niet klopte. De inspecteur verhoogde de goodwill fors en legde een extra aanslag op.
Daarmee kwam de centrale vraag op tafel: mag een ondernemer bij de waardering van goodwill een eerder concreet bod van een serieuze koper negeren?
Wat zegt de rechtbank over de waarde?
De rechtbank maakt in deze uitspraak duidelijk dat de waarde in het economisch verkeer draait om de prijs die de meest biedende gegadigde zou betalen. Een serieus overnamebod is dan een heel belangrijk aanknopingspunt. Volgens de rechtbank kon de dierenarts het bod van 3,3 miljoen euro uit augustus 2020 daarom niet zomaar negeren.
De rechter vond de waardering van 400.000 euro niet verdedigbaar. De gebruikte rekenmethode hield volgens de rechtbank onvoldoende rekening met de groeimogelijkheden en de marktwaarde die uit het concrete bod naar voren kwamen. Dat de familie op dat moment eigenlijk niet wilde verkopen, maakte daarbij geen verschil. Voor de fiscale waardering telt niet de persoonlijke wens van de ondernemer, maar de objectieve waarde van de onderneming.
Is de latere verkoopprijs dan automatisch de juiste waarde?
Nee, ook dat niet. De inspecteur wilde uiteindelijk aansluiten bij de verkoopprijs van 2021 van 4,7 miljoen euro. Maar daar ging de rechtbank ook niet volledig in mee. Tussen de inbreng in december 2020 en de uiteindelijke verkoop in 2021 was namelijk sprake van een relevante verandering in de markt: een concurrent in de omgeving was gestopt. Daardoor waren de omzetverwachtingen voor de praktijk verbeterd.
Die ontwikkeling bestond volgens de rechtbank nog niet op het moment van inbreng. Daarom kon de latere verkoopprijs niet één op één worden gebruikt als waarde op de eerdere peildatum.
Hoe kwam de rechtbank dan tot een waarde?
De rechtbank koos uiteindelijk voor een praktische benadering en schatte de waarde van de goodwill op 4 miljoen euro. Dat lag tussen het bod uit 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs in 2021 in. Daarmee maakte de rechter duidelijk dat zowel het eerdere bod als latere ontwikkelingen relevant kunnen zijn, maar dat steeds moet worden gekeken naar de omstandigheden op de juiste peildatum.
Wat kun je hiervan leren?
Deze uitspraak is een belangrijke waarschuwing voor ondernemers die hun onderneming willen inbrengen in een bv. Bij die stap hoort een zorgvuldige waardering van alle activa en passiva, waaronder goodwill. Daarbij kun je niet alleen uitgaan van een theoretische rekensom als er ook concrete signalen uit de markt zijn, zoals een serieus bod van een geïnteresseerde koper.
Een rekenmethode mag best worden gebruikt, maar die methode moet wel aansluiten bij de werkelijkheid. Als een marktpartij bereid is een veel hoger bedrag te betalen, dan moet je dat in de waardering meenemen of heel goed kunnen uitleggen waarom dat bod toch geen goede maatstaf is.
Waarom is dit fiscaal zo belangrijk?
Bij een ruisende inbreng wordt de meerwaarde direct belast. Een te lage waardering kan er dus toe leiden dat te weinig belasting wordt aangegeven. En als de Belastingdienst vindt dat je bewust een onrealistisch lage waarde hebt gebruikt, kan dat flinke fiscale gevolgen hebben. Niet alleen in de vorm van een hogere aanslag, maar mogelijk ook door een verwijt dat je wist of had moeten weten dat de aangifte niet klopte.
Juist bij goodwill is waardering vaak lastig, omdat het gaat om factoren als klantenkring, winstverwachting, reputatie en groeipotentieel. Daarom is het belangrijk om niet alleen intern te rekenen, maar ook te kijken naar externe aanwijzingen van waarde.
Wat betekent dit voor jou?
Wil je jouw onderneming inbrengen in een bv? Dan is een goede waardering essentieel. Zeker als er recent interesse van kopers is geweest of zelfs al biedingen zijn gedaan, moet je daar serieus rekening mee houden. De Belastingdienst en de rechter kijken uiteindelijk naar de objectieve marktwaarde, niet naar de waarde die jou op dat moment het beste uitkomt. Laat een waardering daarom goed onderbouwen en zorg dat die aansluit bij wat er daadwerkelijk in de markt gebeurt.
