Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is voor veel bv-structuren een handige regeling. Binnen een fiscale eenheid mag je namelijk winsten en verliezen van verschillende bv’s met elkaar verrekenen. Ook transacties binnen de groep kunnen fiscaal anders uitpakken.
Maar daar staat een belangrijke voorwaarde tegenover: de moedermaatschappij moet minimaal 95% van de aandelen in de dochter bezitten én daarbij ook daadwerkelijk het economisch eigendom hebben. Dat economisch eigendom gaat verder dan alleen “de aandelen staan op naam”. Het draait vooral om de vraag:
Wie loopt het risico van waardeverandering en wie profiteert van waardestijging?
Als de moeder dat risico niet (voldoende) draagt, kan de Belastingdienst stellen dat er eigenlijk nooit een fiscale eenheid is ontstaan. En dat kan grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld als er in eerdere jaren verliezen of afschrijvingen zijn verrekend.
De zaak: fiscale eenheid met een scheepsinvestering
In een recente zaak ging het mis bij een investering in een zeeschip. Een bv stond aan het hoofd van een fiscale eenheid. Een dochtermaatschappij binnen die fiscale eenheid exploiteerde een bouwbedrijf. Deze dochter richtte samen met een scheepvaartonderneming een nieuwe vennootschap op, met als doel te investeren in een zeeschip.
De nieuwe vennootschap trad als commanditaire vennoot toe tot een cv die het schip exploiteerde. De moedermaatschappij vroeg vervolgens om deze nieuwe vennootschap toe te voegen aan de fiscale eenheid. De inspecteur gaf hiervoor een beschikking af met ingangsdatum 29 september 2011.
Via de fiscale eenheid bracht de moeder daarna de willekeurige afschrijving op het schip én de exploitatieverliezen in aftrek bij de vennootschapsbelasting.
De participatieovereenkomst (die later boven water kwam)
Na oprichting sloten de partijen ook een participatieovereenkomst. Daarin kreeg de moeder het recht om na drie jaar de aandelen aan de scheepvaartonderneming aan te bieden. De koopprijs werd berekend met een rekenmodel dat als bijlage was opgenomen.
Dat model werkte opvallend: Hoe hoger de taxatiewaarde van het schip, hoe lager de koopprijs voor de aandelen.
Dat kwam doordat in het model ook een belastinglatentie werd meegenomen, die de waardeverandering van het schip deels “neutraliseerde”. De Belastingdienst ontdekte deze overeenkomst pas in 2014, tijdens een derdenonderzoek bij de scheepvaartonderneming.
Hof: economisch eigendom ontbreekt, dus geen fiscale eenheid
De inspecteur legde navorderingsaanslagen op. Het gerechtshof oordeelde dat de moeder door de prijsafspraak maar een beperkt risico droeg van waardeverandering. Daardoor bezat zij niet het economisch eigendom van minimaal 95% van de aandelen.
De conclusie was stevig: de fiscale eenheid is juridisch gezien nooit tot stand gekomen.
Geen beroep op vertrouwen
De moedermaatschappij deed nog een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de Belastingdienst eerder een voegingsbeschikking had afgegeven. Maar dat werd afgewezen.
Volgens het hof had de moeder bij het voegingsverzoek onjuiste informatie verstrekt over het economisch eigendom. Zij had redelijkerwijs moeten begrijpen dat de inspecteur het verzoek daardoor niet goed kon beoordelen.
Wat betekent dit voor jou?
Werk je met een fiscale eenheid en worden er binnen de structuur afspraken gemaakt over latere verkoop, koopprijzen of risicodeling? Dan is het verstandig om extra kritisch te kijken naar de vraag wie het economische risico draagt.
Als achteraf blijkt dat de moedermaatschappij het economisch eigendom niet had, kan de Belastingdienst stellen dat de fiscale eenheid nooit heeft bestaan. En dat kan leiden tot forse navorderingen en correcties.
Dit laat zien hoe belangrijk een solide fiscale constructie is. Door vooraf goed na te denken over eigendom en risico’s voorkom je verrassingen achteraf. We denken graag met je mee over hoe je dit in jouw situatie het beste inricht.
