De grens tussen ondernemerschap en werken in dienstverband blijft in de praktijk een terugkerend discussiepunt met de Belastingdienst. Zeker nu steeds meer mensen werken op basis van provisie, opdrachten of bemiddelingsconstructies, ontstaat regelmatig de vraag: ben je echt ondernemer voor de inkomstenbelasting, of lijkt de situatie feitelijk meer op een dienstverband?
Een recente uitspraak van het hof laat opnieuw zien dat de Belastingdienst en rechters daarbij vooral kijken naar de feitelijke situatie — en niet alleen naar wat partijen op papier hebben afgesproken.
Consulente gaf inkomsten aan als winst uit onderneming
In deze zaak ging het om een consulente die sinds 2011 werkzaamheden verrichtte voor een relatiebureau. Zij ontving provisie voor bemiddelingsdiensten en gaf haar inkomsten in haar aangiften inkomstenbelasting aan als winst uit onderneming. De inkomsten varieerden tussen ongeveer € 11.700 en € 17.000 per jaar.
Na een boekenonderzoek concludeerde de Belastingdienst echter dat geen sprake was van ondernemerschap, maar van inkomsten uit een fictieve dienstbetrekking. Daarop volgden navorderingsaanslagen.
Ondernemerschap draait om zelfstandigheid en risico
Het hof stelde de Belastingdienst uiteindelijk in het gelijk. Volgens de rechter beschikte de consulente over onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico om als ondernemer voor de inkomstenbelasting te worden gezien.
Bij die beoordeling keek het hof onder meer naar:
- de mate van zelfstandigheid;
- ondernemersrisico;
- afhankelijkheid van één opdrachtgever;
- vrijheid in uitvoering van werkzaamheden;
- zichtbaarheid als ondernemer naar buiten toe.
De consulente moest gebruikmaken van formulieren en betalingsafspraken van het relatiebureau en kon niet zelfstandig haar werkwijze bepalen. Bij afwezigheid moest vervanging bovendien worden geregeld via een andere consulent van hetzelfde bureau. Daarnaast werkte zij uitsluitend voor één opdrachtgever en was sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Alleen een provisie ontvangen maakt iemand nog geen ondernemer
Interessant aan deze uitspraak is dat de consulente deels op provisiebasis werkte. In de praktijk wordt soms gedacht dat variabele inkomsten of provisie automatisch wijzen op ondernemerschap. Maar fiscaal ligt dat genuanceerder.
Voor ondernemerschap kijkt de Belastingdienst namelijk breder naar de economische positie van iemand. Belangrijke factoren zijn bijvoorbeeld:
- meerdere opdrachtgevers;
- commerciële zelfstandigheid;
- investeringen;
- debiteurenrisico;
- acquisitie;
- zelfstandig naar buiten treden.
In deze zaak ontbraken veel van die kenmerken.
Fictieve dienstbetrekking blijft belangrijk aandachtspunt
Omdat geen sprake was van ondernemerschap, moest vervolgens worden beoordeeld hoe de inkomsten dan wel moesten worden gekwalificeerd. Het hof concludeerde dat sprake was van een fictieve dienstbetrekking. Dat betekent dat iemand formeel misschien geen arbeidsovereenkomst heeft, maar fiscaal en sociaal verzekerd tóch als werknemer wordt gezien.
Daarbij speelde mee dat de werkzaamheden structureel werden verricht, de consulente persoonlijk arbeid verrichtte. zij hiervoor een beloning ontving en feitelijk exclusief werkte voor het relatiebureau. De provisie hing bovendien direct samen met haar werkzaamheden voor het bureau.
Waarom deze discussie steeds relevanter wordt
Deze uitspraak past binnen een bredere ontwikkeling waarbij de Belastingdienst scherper kijkt naar schijnzelfstandigheid en de kwalificatie van arbeidsrelaties.
Door de groei van flexibele arbeidsvormen, platformwerk en zzp-constructies vervagen de grenzen tussen ondernemer en opdrachtnemer; en tussen zelfstandigheid en fictief dienstverband.
De overheid probeert die grenzen de laatste jaren nadrukkelijker te handhaven, mede vanwege werknemersbescherming en concurrentieverhoudingen op de arbeidsmarkt.
Feitelijke situatie blijft doorslaggevend
Wat deze uitspraak opnieuw duidelijk maakt, is dat de feitelijke uitvoering van werkzaamheden zwaarder weegt dan de benaming van een overeenkomst. Zelfs wanneer partijen spreken over “ondernemerschap” of “zelfstandigheid”, kan fiscaal alsnog sprake zijn van een dienstbetrekking
