Kwijtscheldingswinstvrijstelling vervalt door herinvesteringsreserve

Een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag laat zien dat een herinvesteringsreserve meer invloed kan hebben dan ondernemers soms denken. In deze zaak verkocht een bv in 2018 een schip met boekwinst en vormde daarvoor een herinvesteringsreserve (HIR). Een jaar later schold de bank een deel van de schulden kwijt. De bv wilde voor die kwijtscheldingswinst gebruikmaken van de kwijtscheldingswinstvrijstelling, maar de rechtbank stak daar een stokje voor. Door de eerder gevormde HIR bleven er namelijk nog te veel verrekenbare verliezen over. Daardoor ging de vrijstelling niet op.

Wat is een herinvesteringsreserve eigenlijk?

De herinvesteringsreserve is een fiscale regeling waarmee een ondernemer belastingheffing over een boekwinst tijdelijk kan uitstellen. Verkoop je een bedrijfsmiddel met winst, dan hoeft die winst niet direct belast te worden als je van plan bent om opnieuw te investeren in een ander bedrijfsmiddel. De Belastingdienst stelt daarbij wel voorwaarden. Zo moet er op balansdatum een daadwerkelijk herinvesteringsvoornemen zijn. De regeling is bedoeld om ondernemingen ruimte te geven om bedrijfsmiddelen te vervangen zonder dat de belastingclaim direct de liquiditeit aantast.

Voor bepaalde bedrijfsmiddelen geldt bovendien dat de economische functie van het nieuwe bedrijfsmiddel van belang is. De Belastingdienst geeft bijvoorbeeld aan dat een HIR die ontstaat bij de verkoop van een bedrijfsmiddel waarop niet of in meer dan tien jaar wordt afgeschreven, pas hoeft te worden afgeboekt op een vervangend bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie.

Wat speelde er in deze zaak?

De moedermaatschappij stond aan het hoofd van een fiscale eenheid en was voor 50% firmant in een vof die een motorvrachtschip exploiteerde. In 2018 werd dat schip verkocht. De behaalde boekwinst van € 724.833 werd toegevoegd aan een herinvesteringsreserve. In 2019 verleende ING Bank finale kwijting voor de schulden van de vof. Het aandeel van de moedermaatschappij in die kwijtschelding bedroeg € 392.556. Ondertussen werden de vervangende investeringen niet door de moedermaatschappij zelf gedaan, maar door andere vennootschappen binnen de fiscale eenheid, die nieuwe schepen aanschaften.

Dat lijkt op het eerste gezicht misschien geen probleem. Binnen een fiscale eenheid wordt immers vaak op concernniveau gekeken. Toch liep het hier mis.

Waarom ging de vrijstelling niet door?

De moedermaatschappij stelde dat zij, als zij zelfstandig zou zijn beoordeeld, geen HIR had kunnen vormen. De vervangende investeringen waren immers door de dochters gedaan en niet door haarzelf. Zonder HIR zou haar winst in 2018 veel hoger zijn geweest, waardoor oude verliezen al zouden zijn verrekend. In dat scenario zou er in 2019 geen of nauwelijks verlies meer over zijn geweest en had de kwijtscheldingswinstvrijstelling mogelijk wél volledig kunnen gelden.

De rechtbank volgde die redenering niet. Volgens de rechtbank moet bij de zelfstandige winstbepaling juist wél rekening worden gehouden met de HIR bij de vennootschap die de boekwinst heeft behaald. En dat was hier de moedermaatschappij zelf. Dat de vervangende investeringen later door andere vennootschappen binnen de fiscale eenheid zijn gedaan, veranderde daar niets aan. De rechtbank vond daarbij ook van belang dat een van de dochters in 2018 nog niet eens bestond. Toerekening van de HIR aan die dochter lag dus niet voor de hand.

Het gevolg was stevig. Door de HIR bedroeg de zelfstandige winst over 2018 nog maar € 107.103. Daardoor bleef na dat jaar nog € 727.714 aan verrekenbare verliezen over. Die verliezen waren hoger dan de kwijtscheldingswinst plus het overige resultaat in 2019. En juist dan werkt de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet.

Waarom is dit fiscaal zo interessant?

Deze uitspraak laat goed zien dat een herinvesteringsreserve niet alleen een voordeel is. De HIR schuift belastingheffing weliswaar door, maar zorgt er ook voor dat winst later zichtbaar blijft in de verliesverrekening. Daardoor kan een reserve in een later jaar onbedoeld andere fiscale faciliteiten beperken, zoals hier de kwijtscheldingswinstvrijstelling. Dat maakt de HIR tot een nuttig instrument, maar zeker niet tot een vrijblijvende reserve. Dat volgt ook uit de algemene uitleg van de Belastingdienst: de HIR is nadrukkelijk bedoeld als uitstel van heffing, niet als afstel.

Vooral binnen een fiscale eenheid vraagt dit om extra aandacht. Op concernniveau kan het logisch voelen om te kijken waar feitelijk wordt hergeïnvesteerd, maar voor sommige fiscale toetsen moet per vennootschap zelfstandig worden gerekend. Juist daar ging het in deze zaak mis.

Wat betekent dit voor jou?

Heb je te maken met de verkoop van een bedrijfsmiddel, een herinvesteringsreserve of oude verliezen binnen een fiscale eenheid? Dan is het verstandig om vooraf te laten beoordelen hoe deze posten op elkaar ingrijpen. Een HIR kan fiscaal aantrekkelijk zijn, maar kan later ook onverwacht een vrijstelling blokkeren. Juist daarom is een goede doorrekening vooraf belangrijk.

Onze artikelen zijn puur informatief. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Heb je vragen over jouw situatie? Neem dan altijd contact op voor een advies op maat.