Het gerechtshof Amsterdam heeft een opvallende uitspraak gedaan in de beladen zaak tussen Uber en vakbond FNV. Anders dan de rechtbank eerder oordeelde, stelt het hof dat niet alle Uber-chauffeurs automatisch werknemer zijn. De zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber mee procedeerden, kwalificeren volgens het hof als zelfstandig ondernemer. Daarmee zet het hof een belangrijke stap in de juridische discussie over werknemerschap, platformarbeid en schijnzelfstandigheid.
Waarom deze uitspraak zoveel aandacht krijgt
De Uber-zaak raakt aan een maatschappelijk en politiek gevoelig onderwerp: de vraag wanneer iemand écht zelfstandig ondernemer is en wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. Die vraag speelt niet alleen bij platforms zoals Uber, maar ook in sectoren als de zorg, bouw, IT en het onderwijs.
Juist omdat de overheid schijnzelfstandigheid wil terugdringen en de handhaving daarop wordt aangescherpt, wordt deze uitspraak gezien als richtinggevend.
Geen ‘one size fits all’
Het gerechtshof benadrukt dat er geen generieke kwalificatie kan worden gegeven voor alle Uber-chauffeurs. De juridische beoordeling hangt af van de feitelijke omstandigheden per persoon. In deze procedure beoordeelde het hof alleen de zes chauffeurs die actief deelnamen aan het hoger beroep.
Bij die beoordeling keek het hof onder meer naar:
- de omvang van de investeringen (zoals de auto en bijkomende kosten);
- de vrijheid om zelf te bepalen wanneer en hoeveel wordt gewerkt;
- de mate waarin chauffeurs strategische keuzes maken, zoals het selecteren van ritten;
- de invloed van die keuzes op hun inkomsten;
- het dragen van ondernemersrisico’s, zoals aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.
Volgens het hof wijzen deze factoren bij deze zes chauffeurs in de richting van zelfstandig ondernemerschap.
Wel werknemers mogelijk binnen hetzelfde platform
Tegelijkertijd laat het hof nadrukkelijk ruimte voor een andere uitkomst bij andere chauffeurs. Het is dus goed mogelijk dat sommige Uber-chauffeurs wél als werknemer moeten worden aangemerkt. Dat hangt af van hun individuele werkwijze en positie.
Het hof kon in deze procedure niet vaststellen dat er groepen chauffeurs zijn die structureel onder dezelfde omstandigheden werken en daarom collectief als werknemer kunnen worden gezien.
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
De uitspraak is mede gebaseerd op antwoorden van de Hoge Raad op zogenoemde prejudiciële vragen. Het gerechtshof wilde duidelijkheid over twee cruciale punten:
1. Welke rol speelt ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie?
2. Kan een rechter in één keer oordelen over het werknemerschap van een hele groep werkenden?
De Hoge Raad verwees daarbij naar het bekende Deliveroo-arrest en verduidelijkte dat:
- er geen rangorde bestaat tussen de verschillende beoordelingscriteria;
- ondernemerschap één van de relevante omstandigheden is, maar niet doorslaggevend op zichzelf;
- het mogelijk is dat werkenden die hetzelfde werk doen, juridisch toch verschillend worden gekwalificeerd;
- een algemeen oordeel over een hele groep niet mogelijk is als individuele omstandigheden te veel uiteenlopen.
Die lijn heeft het gerechtshof Amsterdam nu consequent toegepast.
Betekenis voor de wet tegen schijnzelfstandigheid
Deze uitspraak is relevant in het licht van de aangekondigde aanscherping van de handhaving op schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst gaat vanaf 2025 weer actiever handhaven op de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties.
De Uber-uitspraak laat zien dat die handhaving niet kan steunen op simpele criteria of sectorbrede aannames. Het blijft nodig om per werkende te kijken naar de feitelijke uitvoering van de samenwerking.
Voor opdrachtgevers betekent dit:
- dat een modelovereenkomst of platformstructuur op zichzelf niet voldoende is;
- dat de praktijk doorslaggevend blijft;
- en dat verschillen tussen zzp’ers binnen één organisatie juridisch relevant kunnen zijn.
Geen vrijbrief voor opdrachtgevers
Belangrijk is dat deze uitspraak geen vrijbrief vormt om zzp’ers zonder risico in te zetten. Integendeel: de lat ligt hoog als het gaat om het aantonen van ondernemerschap. Vrijheid, investeringen en risico’s moeten niet alleen op papier bestaan, maar ook daadwerkelijk in de praktijk.
Waar dat niet het geval is, blijft het risico bestaan dat een arbeidsrelatie alsnog als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt. Met alle fiscale en arbeidsrechtelijke gevolgen van dien.
Wat betekent dit voor jou?
Werk je met (of als) zzp’ers of via een platformconstructie? Dan onderstreept deze uitspraak het belang van maatwerk. De vraag of sprake is van ondernemerschap of werknemerschap hangt af van hoe de samenwerking feitelijk is ingericht en uitgevoerd.
Nu de handhaving op schijnzelfstandigheid wordt aangescherpt, is het verstandig om jouw samenwerkingen kritisch tegen het licht te houden. Zo voorkom je onaangename verrassingen achteraf. Wil je weten waar voor jouw situatie de risico’s zitten? Dan denken we graag met je mee.
